Een laanboom is een boom die langs een weg of pad wordt aangeplant. Samen vormen laanbomen een bomenrij. Laanbomen bieden schaduw, helpen zo hittestress bij mens en vee te voorkomen en bieden ons bescherming tegen de wind. Een bomenrij langs een laan is ook van groot ecologisch belang. Diverse vogelsoorten, kleine zoogdieren, insecten, vlinders en vleermuizen maken gebruik van bomenrijen voor voedselvoorziening, schuil- en nestgelegenheid.
In verschillende Friese regio’s horen laanbomen echt bij het landschap. Ze worden gebruikt als beplanting langs wegen, opvaarten en oprijlanen van boerderijen.
Zo maken ze de inrichting van het landschap inzichtelijk en dragen ze bij aan de identiteit en sfeer van het cultuurlandschap.
In Westergo zie je bijvoorbeeld streekeigen soorten als es en iep langs wegen staan en in Gaasterland zijn dat meestal de zomereik, zwarte els, es, iep en beuk.
Zo zie je aan laanbomen in welk landschap je bent.
1. Plant een laanboom tussen half november en half maart als het niet vriest.
2. Kies voor een laanboom met een minimale stamomtrek van 10-12 centimeter.
3. Indien je niet direct alle geleverde bomen kunt aanplanten, kuil ze dan tijdelijk in. Graaf een gat op een vochtige en schaduwrijke plek. Plaats de bomen schuin in het gat. De wortels moeten bedekt worden met de vrijgekomen grond.
1. Zet een lijn uit met 2 paaltjes met daartussen een strakgespannen touw.
2. Plant de bomen op een regelmatige afstand van elkaar. Houd 6 tot 10 meter tussen de bomen aan, zodat de volgroeide kronen elkaar net raken en op die manier een aaneengesloten beplanting vormen.
3. Graaf een plantgat voor de laanboom (minimaal 1,5 keer de grote van de kluit). Spit na het graven de bodem van het plantgat los, maak de graszode fijn en voeg bodemverbetering toe (meng grond uit het gat met potgrond of oude stalmest).
4. Plaats eerst één boompaal op ongeveer 20 centimeter vanuit het plantgat.
5. Bevochtig de wortels lichtjes en plaats de boom rechtop in het plantgat. Plaats de minst ontwikkelde takken op het zuiden, zodat de kroon zich aan deze kant beter kan ontwikkelen. Plant de boom net zo diep als op de kwekerij het geval is geweest, zodat de wortels voldoende lucht krijgen.
6. Gooi het plantgat dicht, waarbij je de grond niet te zwaar verdicht.
7. Plaats de tweede boompaal en bevestig de boomband in acht-vorm aan de palen en de boom.
Als er vraatschade kan ontstaan doordat in de omgeving veel hazen of reeën aanwezig zijn, maak dan gebruik van een boommanchet of -korf.
1. Geef de jonge aanplant met name de eerste 2 jaar na aanplant voldoende water in droge perioden. Geef in de zomer na aanplant ongeveer 60 liter water per boom en dat 10 weken lang (eenmaal per week). Het is beter om in één keer een grote hoeveelheid water te geven dan dagelijks kleine hoeveelheden: dan blijven de wortels oppervlakkig.
2. Houdt de grond rond de boom (de boomspiegel) zoveel mogelijk vrij van onkruid.
3. Controleer minstens een keer per jaar de boombanden, die mogen niet te strak zitten. Na ongeveer 5 groeiseizoenen kunnen de boompalen worden verwijderd.
4. Bomen die in een laan staan, dienen aan de binnenzijde te worden opgekroond in verband met de doorrijhoogte van de laan. Laat de buitenste takken zoveel mogelijk zitten.
5. Snoei de bomen in de wintermaanden, met uitzondering van walnoot, paardenkastanje, esdoorn¸ haagbeuk en berk. Deze soorten kun je het beste snoeien in de periode september tot begin januari in verband met sap uittreding (bloeden).
Cookies maken je ervaring beter
Wij gebruiken cookies om je ervaring te verbeteren, onze website optimaal te laten functioneren, en gepersonaliseerde inhoud te bieden. Door op 'Accepteren' te klikken, ga je akkoord met ons gebruik van cookies. Wil je meer weten of je voorkeuren aanpassen? Klik dan op 'Bekijk voorkeuren'.